Naar onbekend Hunza in de Karakoram

      Reacties uitgeschakeld voor Naar onbekend Hunza in de Karakoram

Eén van de meest spectaculaire Nederlandse expedities ooit

Midden-Azië
Precies honderd jaar geleden publiceerde dr. Philips Chistiaan (Philip) Visser zijn boek ‘Naar onbekend Midden-Azië. Tusschen Kara-Korum en Hindu-Kush’. Het is een verslag van Vissers tweede expeditie in 1925 naar de enorme bergmassieven in het noorden van het huidige Pakistan.
Het bleek een zeer gevaarlijke en spannende onderneming. Vier maanden onafgebroken in het hooggebergte in honderdtweeëntwintig verschillende kampen. Voortdurend bedreigingen en risico’s. Lawines, overstromingen, slecht weer, verschroeiende zon, gevaarlijke rivieren oversteken, gletsjerbreuken, muiterij onder de dragers, tekort aan voedsel, sneeuwstormen, neerstortende rots- en puinmassa’s.

Jenny Visser, op paard en berggids Perren op de Buzilpas 1925

Schiedam
Visser groeide op in Schiedam als zoon van de eigenaar van het oudste bedrijf in de productie van jenever en brandewijn. Sinds 1918 was hij eigenaar van de firma en werkte tegelijk als attaché op Nederlandse ambassade in Zweden. Na zijn eerste reis naar Zwitserland in 1902, ontwikkelde Visser zich tot één van de beste alpinisten van ons land. Daarnaast was hij een productief en verdienstelijk auteur over de bergsport. In 1922 ging hij voor het eerst op expeditie naar Ladakh in het noorden van he huidige India.

Dragers op de Pasugletsjer

Dragers op de Pasugletsjer

Hunza
Visser had voor deze expeditie een onherbergzaam gebied in het noordwestelijke deel van de Karakoram gekozen. Het gebied ten noordoosten van de stad Gilgit in het huidige Pakistan. Daar stroomt de rivier de Hunza door de gelijknamige vallei.
Tot de jaren zeventig van de twintigste eeuw, toen de Karakoram Highway werd aangelegd, was de Hunzavallei nauwelijks toegankelijk en een zeer afgelegen gebied. Verschillende Europeanen waren ooit wel door de vallei getrokken, maar de zijdalen, de bergen en de gletsjers van dit gebied zijn in 1925 nog terra incognita. Sven Hedin had dit gebied beschreven als: “one of the most difficult fields of exploration in the world.”
Visser schreef in zijn boek dat de Engelsen de afgelopen dertig jaar de toegang tot de Hunzavallei stelselmatig geweigerd hadden, ook aan Engelsen zelf. Dat had alles te maken met de zeer kwetsbare beschikbaarheid van voedsel in de Hunza. Als een expeditie dragers uit het gebied in dienst nam, konden deze mannen niet werken op het land. Er is tegelijk niet veel fantasie voor nodig te bedenken, dat de Britten vanuit geopolitieke overwegingen China en Rusland niet wilden provoceren met een expeditie in het, tot op de dag van vandaag, omstreden grensgebied.

De uitrusting voor de expeditie

Het expeditiemateriaal en tenten in Srinagar 1925
Links met hoed Lochmatter, midden Jenny Visser met parasol, met tropenhelm Van Harinxma

Team
Het expeditie team bestond naast Visser uit nog vijf personen. In de eerste plaats zijn echtgenote jonkvrouw Jenny Visser-Hooft. Zij namen een vriend mee mr. Binnert Philip baron van Harinxma thoe Slooten, een telg uit een eeuwenoud Fries adellijk geslacht. Van Harinxma werd net als Visser diplomaat en had eenzelfde avontuurlijke inslag.
Vissers vriend en Zwitserse berggids Franz Lochmatter ging mee. Lochmatter werd alom gezien als de beste berggids in zijn tijd. Het echtpaar Visser klom al sinds 1919 met hem. Lochmatter bracht als tweede gids zijn neef Johannes Perren mee.
Het zesde lid was de zeer kundige cartograaf die door de Survey of India beschikbaar was gesteld, om de te exploreren gebieden in kaart te brengen. Zijn naam was mian Afraz Gul Khan, kortweg Khan Sahib, wat meneer de Khan betekent. Hoewel Visser hem in zijn boek beschreef als een ‘klein dik mannetje’, ging hij zonder moeite mee over de hoogste bergpassen en de lastigste gletsjeroverschrijdingen. Ondertussen bracht hij duizenden vierkante kilometers Karakoram nauwgezet in kaart.

Team van de expeditie
Staand vlnr: kok van Khan, Aziza (kok Visser), Perren, Lochmatter, twee bedienden Munir Khan en Allah Baksh;
Zittend vlnr: Khan Sahib, Visser, Visser-Hooft, Van Harinxma – 29 april 1925

Voorbereiding
Begin 1924 startte al de voorbereiding voor deze expeditie. Er werd gecorrespondeerd met de Survey of India over het topografisch werk. Contact werd gelegd met de Royal Geographical Society in Londen en met andere ontdekkingsreizigers die door het beoogde gebied hadden getrokken. Via de diplomatieke dienst werd aan de Britse regering formeel toestemming gevraagd voor de expeditie.
Op 15 december 1924 arriveerde Visser in de haven van Mumbai, het toenmalige Bombay, met in totaal negentig stuks bagage, koffers, kisten, valiezen, in totaal meer dan vierduizend kilo. Vervolgens werd alles getransporteerd naar Srinagar.

Het dorpje Passu in het Hunza dal – 28-05-1925

Naar Hunza
Op 25 april 1925 om 16 uur vertrok Philip Visser met zijn expeditiegezelschap uit Srinagar op boten over de Jhelumrivier naar het Wularmeer.
Deze tweede expeditie van Visser kende een lastig logistiek probleem qua seizoenen. Als zij de zomerperiode wilden benutten om het, in de winter volstrekt ontoegankelijke, Hunzagebied te exploreren, moesten zij daar zijn op het moment dat de zomer begon. Visser nam daarvoor grote risico’s. Onder meer door met de expeditiekaravaan over de 4.161 meter hoge de Burzilpas te trekken, terwijl deze eigenlijk zo vroeg in het seizoen door sneeuw onbegaanbaar was. Half juni is deze pas enigszins vrij van sneeuw en is een ‘normale’ overgang mogelijk. Visser stond met zijn karavaan al op 2 mei voor de pas. Vanwege het extreme lawinegevaar werd besloten in de nacht, als de sneeuw bevroren was over de pas te trekken. Het ging wonderwel allemaal goed.
De expeditie bereikte de centrale Hunzavallei tussen Ali Abad en Altit. Hier bezochten ze de mir van Hunza, de vorst van het min of meer zelfstandige koninkrijkje in Brits-Indië.

Op bezoek bij de mir van Hunza. Vlnr: zoon van de mir, Khan Sahib, Van Harinxma, Visser, de mir met zijn jongste zoon, Visser-Hooft. Voor Khan twee kleinzonen van de mir.

Verkenning Passugletsjer
Nu ging de expeditie naar het plaatsje Passu, weer zo’n dertig kilometer noordelijk. Van hieruit konden zij beginnen met de verkenning van de Passu- en de Baturagletsjer. De Passugletsjer ligt aan de westkant van het dorp Passu. Deze gletsjer ligt zuidelijk van de nog grotere Baturagletsjer. De Baltura is anno 2026 zesenvijftig kilometer lang en is een van de grotere en langere gletsjers in de Karakoram. De verkenning van deze gletsjers was één van de hoofddoelen van deze expeditie. Het echte werk kon beginnen.
De Passugletsjer lag vol met enorme pakken lawinesneeuw. Het was gevaarlijk. Zij bivakkeerden de tweede nacht voor de veiligheid in de rotsen. Zij probeerden het begin van de gletsjer te bereiken wat niet lukte. Te steil, te veel lawinesneeuw, te grote gevaarlijke seracs. Maar de verkenning was geslaagd, de gletsjer was opgemeten en kon op de kaart worden gezet.
Flinke tegenvaller voor Visser was, dat op basis van de ervaringen op de Passugletsjer, zij moesten concludeerden dat het plan om de Baturagletsjer te verkennen in dit vroege zomerseizoen niet mogelijk was. Daarom besloot Visser aan te vangen met het geplande tweede deel van de expeditie. Later zouden zij dan alsnog de Baturagletsjer verkennen.

Kamp op de Passugletsjer

Kamp op de Passugletsjer

Plan en risico’s
Visser en zijn expeditieleden besloten noordelijk naar de Khunjerabvallei te gaan om daar de zijdalen en de daarin aanwezige gletsjers te onderzoeken. De Hunzarivier, die de expeditie vanaf Gilgit gevolgd had, ontstaat door de samenvloeiing van drie rivieren. De Kilik uit het noorden. De Khunjerab, die vanuit het gelijknamige dal in het noordoosten komt. De Ghujerab vanuit het zuidoosten.
Het plan was vervolgens de Khunjerab te volgen door het gelijknamige dal. Visser wilde in dit dal een oversteek zoeken naar het dal van de Ghujerab. Tegelijk werden ook de zijdalen verkend, opgemeten en in kaart gebracht. Vervolgens wilde hij een overgang vinden naar het Shimshaldal en dan weer retour naar de Hunzavallei.
Om dit plan uit te voeren nam Visser, naast het oversteken van hoge besneeuwde passen in het vroege voorjaar, nog eens vier enorme risico’s.

Kaartschets expeditie route (…..) van Khan Sahib uit 1925 (waarop de Baturagletsjer niet is ingetekend) – Collectie Visser Universiteit Utrecht

Gevaarlijke rivieren oversteken
Het was begin juni en de Khunjarab kolkte al door het, op sommige plaatsen heel smalle, hoge en steile dal. Hier en daar doorkruisten zij hoge ravijnen. Het eerste grote gevaar was het steeds weer oversteken van deze rivier. Al op de eerste dag moest de hele karavaan, vanaf dat moment een man of veertig, twintig keer de rivier doorwaden. Diep ploeteren door de verraderlijk snelstromende Khunjarab. Weliswaar ging er eerst een pony naar de overkant en spanden ze een touw over de rivier, maar met zware bepakking ging toch menig drager onderuit. De kok verdronk bijna. Er brak zelfs een opstand uit onder de dragers die terug wilden gaan. Visser, Van Harinxma, Khan Sahib en de gidsen moesten politioneel optreden om dit op te lossen. Visser en Van Harinxma dreigden met hun vuurwapens.

Afdalen naar het Ghujerabdal

Afdalen naar het Ghujerabdal – 06-07-1925

De oversteek vinden
Een tweede groot risico was of ze wel een oversteek zouden gaan vinden van het Khunjarab dal naar het Ghujerab dal. Volgens Van Harinxma had de mir hen gewaarschuwd: ““Slechts één grooten vijand zult gij hebben”, zeide de Mir, “dat is het water, – want wanneer midden in den zomer de groote smelting van sneeuw en ijs aanvangt op de gletschers waaruit de rivier ontspringt, komen zoo groote watermassa’s naar beneden, dat het nauwe, steile dal waardoor gij nu wellicht uw pad nog kunt vinden, geheel daardoor zal zijn gevuld en dan is U de terugtocht afgesneden!”” Wanneer de expeditie niet een pasovergang zou vinden zaten ze vast, het risico van ‘de muizenval’ noemde Visser dat.

Doorwaden van bergrivieren door dragers

Doorwaden van bergrivieren door dragers

Aanvoerketen
Dan was er nog een derde groot risico, namelijk de aanvoerketen. Niet alle dragers konden mee en ook niet al het benodigde voedsel. Visser had de voorraden achtergelaten in het plaatsje Gircha zo’n vijfentwintig kilometer noordelijk van Passu. Dus moesten dragers over negentig kilometer heen en weer om de expeditie te foerageren. Wat te doen, als dit voedsel niet meer bereikbaar was, omdat het dal door de hoge waterstand afgesloten was geraakt voor transport? De uiteindelijk twintig dragers die mee waren met de karavaan, moesten tussen elke kamp twee keer op en neer om alles van kamp naar kamp te verplaatsen. Wat als dat niet meer zou lukken?
Zo nu en dan werd er wild geschoten, een forel gevangen en vonden ze rabarber en knoflook in groene delen van het dal. Welkome afwisseling tussen de dagelijkse chapatis.
Visser en Lochmatter vonden gelukkig de oversteek naar het Ghujerabdal en verkenden dat stroomopwaarts totdat ze de eigenlijke bron van de Hunza ontdekten. Opnieuw maakten ze een oversteek en kwamen in het Shimshaldal.

Kamp met zicht op de Karakoramketen

Lawines, steenslag, overstromingen
’s Nachts schrok Visser in het Shimshaldal wakker van enorm gedonder. De Shimshal was angstwekkend aangezwollen, er denderden ontzaglijke hoeveelheden blokken ijs doorheen. De volgende dag, de ijsblokken lagen op de oever, vroegen ze zich af waar die vandaan kwamen. Deze moesten van een gletsjer komen. Er waren echter geen gletsjers bekend. Zij besloten stroomopwaarts een verkenning uit te voeren gedurende een dag of zes. Tot hun grote verrassing ontdekten ze maar liefst drie grote onbekende gletsjers. Eerst troffen ze de Yazghilgletsjer. Die trokken ze over en kwamen toen op de grootste de Khurdopingletsjer. Hier observeerde Visser het verschijnsel van de surging glacier. Door de geologische structuur van het berglandschap kunnen deze gletsjers soms wel honderd keer sneller bewegen dan een ‘gewone’ gletsjer. Dat gaat met veel geweld gepaard. Het verklaarde de onverwachte stroom van ijsblokken in de rivier.
Een ander verschijnsel is als smeltwater zich ophoopt onder een gletsjertong tot een soort stuwmeer. Dan breekt dit plotseling uit in een verwoestende en dodelijke ijs-, water-, modder- en rotsblokkenstroom. Visser observeerde dit zelf:

“Van af duizelingwekkkende hoogte gleed door een steil, breed couloir in den rotswand een stroom dalwaarts van modder, gruis en rotsblokken. De steenen rolden en schoven langs elkaar in hun wilde jacht omlaag. Er waren duizenden rotsgevaarten soms van ettelijke meters middenlijn. En toen deze alles vernietigende stroom op den dalbodem was aangekomen, stuwde hij bonkend en daverend tusschen de gletscher en berghelling verder, daar, waar wij nauwelijks een minuut tevoren nog hadden geloopen, om zich ten slotte waaiervormig uit te spreiden in de vlakte onder het uiteinde van den gletscher. Er scheen geen einde te komen aan deze lugubere, maar imposante slag van modder en steenen, want telkens weer deed een nieuwe vloedgolf dezen donderden stroom aanzwellen. Ongetwijfeld hadden wij hier te doen met het leeglopen van een gletschermeer hoog boven ons.”

Vervolgens ontdekten ze de Virgirabgletsjer. Al helemaal gevaarlijk met kilometerslange gletsjerspleten, die soms tot twintig meter breed en peilloos diep waren. Er denderden voortdurend steenlawines over de nauwelijks veilig te traverseren gletsjer. Visser ging voor zes dagen op onderzoek, maar bivakkeerde uiteindelijk achttien dagen in het gebied van deze gletsjers. De expeditie had heel veel geluk dat zij niet getroffen werden door die vierde grote risico van lawines, steenslag en overstromingen.

Harinxma en Kahn Sahib op de Khundopin gletsjer 1925

Alsnog Baturagletsjer
Eind augustus was het goed en stabiel weer. Visser ging op weg om het eerste doel van de expeditie te realiseren, het verkennen en in kaart brengen van de enorme Baturagletsjer. Tot hun verassing was deze veel en veel langer dan ze dachten en aanvankelijk observeerden. De gletsjer had hogerop twee noordelijke vertakkingen. Visser ging ze, samen met Lochmatter en Perren helemaal op. Het weer werd slechter en de nachten steeds kouder. De hoogte, voortdurend tussen de 5.000 en 6.000 meter eiste haar tol. Het was zwaar. De motivatie voor de expeditie kwam onder druk te staan. Visser schreef in zijn dagboek: “Wel, op dit vroegen morgenuur heb ik moeite de neiging te onderdrukken om ook maar terug te gaan, (…). Maar het moet, ik weet het een noodzakelijkheid, omdat de tocht voor onzen topografischen arbeid van grote waarde kan zijn. Maar het kost mij zelfs moeite om tot die overtuiging te komen,…”. Hij had het gevoel alsof zijn “denkvermogen ingeslapen” was. Ze volbrachten de verkenning van de hele gletsjer. Deze was maar liefst zestig kilometer lang. Om deze helemaal in kaart brengen hadden ze twintig dagen nodig, bivakkeerden ze zeventien keer op of bij de gletsjer in kleine tenten met nauwelijks voldoende voedsel en liepen ze honderdvijfennegentig kilometer over uiterst lastig terrein. Een geweldige prestatie.

Visser op de Baturagletsjer – 30-08-1925

Evaluatie
Op 30 oktober 1925 was de expeditie terug in Srinagar. Visser en Khan Sahib evalueerden de opbrengsten van de expeditie met majoor Kenneth Mason, hoofdinspecteur bij de Survey of India. Zij berekenden samen dat er bijna zevenduizend vierkante kilometer onbekend gebied in kaart was gebracht. Mason schreef het standaard werk ‘Abode of Snow. A History of Himalayan Exploration And Mountaineering’, over alle, tot op dat moment, uitgevoerde ontdekkingsreizen en beklimmingen in de Himalaya en Karakoram. Hij was lovend over Vissers Hunza expeditie: “Few mountain expeditions have brought back so rich a harvest in so short a time.”

Betekenis
De expedities van Philip Visser naar de Karakoram waren voor ons land ongekend. Deze zijn van een niet te onderschatten invloed geweest voor de ontwikkeling van de bergsport door Nederlanders. De basis voor alpiene expedities na de Tweede Wereldoorlog door Nederlanders werd door Visser gelegd. De opbrengsten van zijn gletsjeronderzoek en zijn vele publicaties daarover, behoren nog steeds tot de canon van de glaciologie van de Karakoram.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op het online geschiedenismagazine Historiek; ‘Naar het onbekende Hunza in de Karakoram (1925)’, 15 april 2026. Lees deze versie hier.

Bronnen
Nigel J.R. Allan, Karakoram Himalaya. Sourcebook for a Protected Area, IUCN-The World Conservation Union Pakistan, Karachi 1995.
Maarten Faas, Nederlands laatste ontdekkingsreiziger. Philips Christiaan Visser (1882-1955), Uitgeverij Verloren, Hilversum 2024.
Maarten Faas, ‘Philips Christiaan Visser, icoon van de Nederlandse bergsport’, in: Historiek, 3 mei 2025, https://historiek.net/philip-visser-alpinist-ontdekkingsreiziger/173496/
B.Ph. van Harinxma thoe Slooten, Een Nederlandsche expeditie naar den Karakorum in 1925, Hepkema, Heerenveen 1926.
Kenneth Hewitt, Glaciers of the Karakoram Himalaya. Glacial Environments, Processes, Hazards and Resources. Springer, Dordrecht 2014.
Kenneth Mason, Abode of Snow. A History of Himalayan Exploration And Mountaineering, E.P. Dutton & Co, New York 1955.
Eduard A. Koster, ‘Leven en werk van een beroemde ‘amateur’-glacioloog: Philips C. Visser (1882-1955)’, in: Grondboor & Hamer (2021)6.
Philips Christiaan Visser, Naar onbekend Midden-Azië. Tusschen Kara-Korum en Hindu-Kush, Nijgh & Van Ditmar’s Uitgevers, Rotterdam 1926.

De foto’s zijn afkomstig uit het persoonlijk archief van Visser. Nationaal Archief, Den Haag, Collectie 558 Ph.C. Visser, nummer toegang 2.21.284.

Download hier een pdf-versie van het artikel met alle voetnoten en verwijzingen.